Liefdevol opvoeden, een kunst

Gods is een werkwoord.

 

NAASTENLIEFDE VERSUS STOÏCISME

Hoe staat het met de rampen waardoor zij, die wij liefhebben worden getroffen? De gruwelijkheden tijdens het nazibewind, verkrachting – dat soort voorbeelden. Zult u bij zulke gebeurtenissen uw filosofische kalmte moeten bewaren? – Christenen zullen zeggen: Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat zij doen. Ik heb Quakers gekend die dat in volle ernst en oprechtheid zouden hebben gezegd, en die ik daarom bewonder. Maar voordat we onze bewondering uitspreken, moeten we er ons van overtuigen of het leed werkelijk in de volle diepte is doorleefd. Want je kunt ook het standpunt innemen van sommige stoïcijnen, die zouden zeggen: Wat hindert het mij of mijn familie lijdt? Als ik zelf maar deugdzaam ben.

Het christelijk beginsel heb uw vijanden lief is goed, maar dat van de stoïcijnen, wees onverschillig tegenover uw vrienden, is niet goed. En het christelijk beginsel komt niet neer op kalmte, maar op hartstochtelijke liefde, zelfs tegenover de grootste immoralist. Daartegen valt niets in te brengen, behalve dan dat het voor de meesten van ons te moeilijk is om het daadwerkelijk in de praktijk te brengen.                                           

Bertrand Russell: History of Western Philosophy, 1946

 

In 1921 was de volgende tekst op het bankbiljet van 50 Pfennig te lezen:

 

Herr Augustin gab in Zeiten der Not              Heut füllen Quäker aus fernem Land

Den Hungernden Kindern Gothas Brot.          Mit edlem Brot der Hungernden Hand.

 

Als eersten hielpen Quakers de geteisterde verliezers, als eersten verleenden zij humanitaire hulp in de Palestijnse vluchtelingenkampen. Als enige Kerkgenootschap kregen zij ooit de Nobelprijs voor de Vrede. Gunnar Jahn reikte de prijs uit. In zijn toespraak citeerde hij uit een gedicht van Arnulf Overland:

 

Alleen de ongewapende

Heeft onuitputtelijke hulpbronnen

Alleen de geest kan overwinnen.

 

In De laatste maaltijd met Jezus vat de rabbi de betekenis van bevrijding voor de allerlaatste keer met overweldigende kracht samen. Petrus begrijpt hem nog steeds niet. Begint hem iets te dagen als hij aan het einde van het volgende verhaal, Gevangen genomen in de nacht, wegkruipt achter een paar struiken en in tranen uitbarst?

 

Waar liggen jouw grenzen? Wanneer zeg je ‘tot hier en niet verder’? Wanneer voeg je de daad bij het woord en durf je te zeggen: Hier sta ik en ik kan niet anders!

In de joodse traditie van Jezus is God een werkwoord en het werkwoord is kiezen. En de keuze is tussen goed en kwaad. – In 1938 haalt de in Duitsland geschoolde filosoof A. J. Heschel, in een lezing voor de Quaker-gemeenschap in Frankfurt, woorden aan uit de joodse wijsheidsliteratuur: ‘Als een mens kwaad heeft gezien, laat hij daar dan niet moeilijk over doen, zodat hij zich bewust kan worden van zijn eigen kwaad en daar dan aan kan gaan werken. Want wat hij gezien heeft, is ook binnenin hem’.

En Heschel vervolgt: ‘Onze wereld doet denken aan een slangenkuil. We zijn niet pas in 1939, of zelfs 1933, in die kuil gevallen. We zijn er generaties geleden al in terechtgekomen. De slangen brachten hun gif in het bloed van de mensheid, waardoor we geleidelijk verlamd raakten; zenuw na zenuw werd verdoofd, onze geest stompte af en onze blik verduisterde. Goed en kwaad, eens zo helder als dag en nacht, zijn vervaagd en wazig geworden. Geweld wordt verheerlijkt, mededogen veracht en we gehoorzamen de wetten van de markt.’

De leerlingen krijgen de volgende stelling uit de joodse ethiek voorgelegd: Wanneer je één mens redt, red je de gehele mensheid – wanneer je één mens doodt, dood je de gehele mensheid.

De docent spitst het toe: Zijn de vijftig miljoen doden uit de Tweede Wereldoorlog erger dan de enkele dood op de heuvel die Golgotha heet?

 

 

 

 

De niet onderkende macht van woorden

 

Behoed dan je tong voor het kwaad,

je lippen voor woorden van bedrog.

Mijd het kwade, doe wat goed is,

streef naar vrede, jaag die na.                                                               Psalmen 34:13-14

 

Het was in een klein Oost-Europees stadje dat een man steeds kwaad sprak over de rabbijn. Op een dag kreeg hij spijt en vroeg de rabbijn om vergeving. Hij was bereid tot elke vorm van boetedoening. De rabbijn vroeg hem om een veren kussen open te snijden en de veertjes te verstrooien in de wind. Toen hij dat gedaan had, keerde hij terug en vroeg: ‘ben ik nu vergeven?’ ‘Bijna’, was het antwoord. ‘Nog één ding, zoek de veertjes bij elkaar.’ ‘Maar dat is onmogelijk,’ protesteerde de man. ‘De wind heeft ze overal naartoe geblazen’. ‘Precies,’ antwoordde de rabbijn. ‘Hoewel je oprecht het slechte dat je gedaan hebt wilt rechtzetten, is het onmogelijk om de schade die je woorden hebben aangericht te herstellen’.

‘Deze beroemde anekdote is een les over kwaadsprekerij en laat de macht van het woord zien’.

Langzaam begint het te dagen. /o:p>

Er volgt een Talmudisch spreekwoord: De roddelaar staat in Syrië en doodt in Rome. Hoe komt het dan, dat op één of andere manier het vermijden van roddel uit het klassieke rijtje van universele ethische geboden en verboden is verdwenen en dat kwaadsprekerij bijna ‘normaal’ lijkt te zijn geworden?

Mozes sprak Tien Woorden die de grondslag vormden van zo ongeveer alles wat ons dierbaar is: ons gehele pakket aan basiswaarden en -normen, of we nu jood, niet-jood, gelovig of ongelovig zijn. Mozes gebruikte de werkwoordsvorm in de gebiedende wijs, voorafgegaan door een ontkenning: Geen gedood!, Geen gesteel!, Geen gelieg! Zelfs de simpelste nomade kon deze tien woorden uit het hoofd leren en zijn vingers gebruiken of hij ze compleet had...

 

Enkele dagen na zijn lezing in Frankfurt wordt Heschel door de Duitsers teruggestuurd naar zijn geboorteland Polen. Godzijdank kon hij later nog spreken ...als lid van een gemeenschap, wier grondlegger Abraham was. De naam van mijn rabbi is Mozes. Ik spreek als iemand die Warschau, mijn geboortestad, net zes weken voor het begin van het onheil kon verlaten. Ik ben een stuk brandhout, gerukt uit het vuur waarin mijn volk verbrandde...

En hij schrijft over de kleine Joodse gemeenschappen in Oost-Europa ‘dat zij de wetenschap niet afwezen, maar wel geloofden dat een beetje edelmoedigheid duizendmaal waardevoller was dan alle profane wetenschappen, dat het belangrijker is om elke dag te bidden: Mijn God, bewaar mijn tong voor het kwade en dat het overpeinzen van de Psalmen de mens met meer mededogen vervult dan de studie van de Romeinse geschiedenis...

Hun leven was georiënteerd op het spirituele. De huidige generatie heeft nog de sleutels tot de schat. Als wij deze rijkdom niet aan het licht brengen, zullen de sleutels met ons het graf ingaan en de voorraadschuur van de generaties zal voor altijd gesloten blijven.’

 

‘Waarom is Judas weggegaan?’ vraagt Petrus.

‘Vannacht zullen jullie me allemaal in de steek laten, Petrus’, zegt Jezus zonder rancune.

‘O, nee!’ roept Petrus uit. ‘Dat zal ik nooit doen. Ik zal altijd bij je blijven!’ ‘Nog deze nacht, Petrus, vóór het kraaien van de haan, zul je drie keer zeggen, dat je mij niet kent. Je zult me drie keer verloochenen.’

‘Al moet ik met je stèrven, ik zal je nooit verloochenen!’ zegt Petrus.

 

Een volk dat voor tirannen zwicht

zal meer dan lijf en goed verliezen

dan dooft het licht...

 

Pasen & Pesach is een gezamenlijk moment van bevrijding en zelfbezinning: Want wat de mens gezien heeft, is ook binnenin hem.

 

Toen in de late 17e eeuw George Fox en zijn mede-quakers de Evangeliën, Handelingen en Brieven van Paulus begonnen te lezen, hadden zij het gevoel alsof niemand dit ooit eerder had gedaan. Ze herontdekten de blauwdruk voor het christendom als het radicale Genootschap van Vrienden en de theologische moed om zich te verzetten tegen slavernij, gevangenissen, doodstraf, oorlog, en zelfs het onheilig verbond tussen kerk en staat.

De verworpenen der aarde humaan behandelen, een levenslange ervaring van kleingeestige wreedheden overwinnen, vereist meer dan humaniteit. Dat deze humanitaire waarden hun oorsprong vinden in de ondergrondse rivier van de authentieke christelijke traditie bewijst eens te meer de paradoxale geldigheid van het verschil dat Jezus maakte tussen het religieuze establishment en de ware religieuze geest.

Thomas Cahill: Desire of the Everlasting Hills, 1999

 

 

Make a Free Website with Yola.